Welkom bij de 'Schoolleider van Morgen'.
Vanuit de vijf aspecten voor effectief schoolleiderschap zet de 'schoolleider van morgen' zijn bakens. Wat is zijn rol, welke competenties zijn nodig voor de transformatie van het onderwijs van vandaag naar morgen. De veranderende omgeving is het vertrekpunt waarbij de schoolleider samen met betrokkenen een visie en strategie opstelt. Hoge orde denken een noodzaak om zijn missie te laten slagen.
Bent u klaar voor morgen?
Ronald Voorhorst
Schoolleider van Morgen
Rol schoolleider essentieel
De schoolleider maakt het verschil, constateert de inspectie in 'De staat van het onderwijs', het Onderwijsverslag over schooljaar 2012/2013. Passend onderwijs staat dan nog onvoldoende op de rails en bij het opbrengstgericht werken is (nog) geen verbetering zichtbaar. Verder zijn leerlingen gelukkig en gaan ze graag naar school, maar ze gaan niet met plezier naar de lessen.
De kwaliteit van de schoolleider is een belangrijke factor in de kwaliteit van het onderwijs op een school. Hoe beter de schoolleider, hoe beter de kwaliteit van de lessen. AVS-voorzitter Petra van Haren: "Het Onderwijsverslag bevestigt opnieuw een belangrijk speerpunt van de AVS: de rol van schoolleiders is van vitaal belang. De kwaliteit van de schoolleider staat één op één in relatie met de kwaliteit van de lessen." Dit laatste is als conclusie overgenomen uit het eerder verschenen onderzoeksrapport van de inspectie, 'De kwaliteit van de schoolleider' (zie uitgebreid artikel hierover in Kader Primair 8, verschijningsdatum 19 april 2014). "We moeten investeren in professionele schoolleiders en in professionele ruimte daarbij", zegt Van Haren stellig.
Ook zijn er verschillen tussen leraren. Beginnende leraren en leraren in de groepen 1 en 2 van het primair onderwijs beheersen iets minder vaak de algemeen didactische en differentiatievaardigheden. Leraren in het speciaal basisonderwijs tonen deze vaardigheden wat vaker.
Opbrengstgericht werken
Po-scholen hebben zich in het kader van opbrengstgericht werken ingespannen om de gegevens van het leerlingvolgsysteem op school- en groepsniveau beter te analyseren, maar te vaak blijft het bij daarbij, meent de inspectie. "Er worden er geen concrete conclusies getrokken voor het handelen van de leraren in de les." Een bepalende factor bij het succes van opbrengstgericht werken is het planmatig en datagestuurde handelen. Dit geldt voor bestuurder, schoolleider en leraar. Van Haren: "Het zou moeten betekenen dat data worden verzameld, geduid, geanalyseerd en vertaald naar conclusies die aanleiding geven tot bijstellen van het eigen handelen. In veel schoolorganisaties ontbreken echter de onderzoekende competenties die daarvoor nodig zijn."
Passend onderwijs
De helft van de scholen in het po met basiskwaliteit heeft een of meer belangrijke tekortkomingen in het onderwijsleerproces, signaleert de inspectie. Vaak is dit de planmatigheid van de leerlingenzorg. Ook in het taalonderwijs is nog veel ruimte voor verbetering, vooral op het vlak van afstemming op de onderwijsbehoeften. De doorgaande leerlijn in het leerstofaanbod is ook een relatief zwak punt. En er wordt te weinig effectieve aandacht geschonken aan leesplezier. In het speciaal basisonderwijs is de planmatigheid van de zorg minder vaak dan voorheen als voldoende beoordeeld.
Ondersteuning in de klas is wenselijk, zeker bij Passend onderwijs. Ondersteuning in de klas heeft veel minder structuur dan ondersteuning op schoolniveau, concludeert de inspectie. "Samenwerkingsverbanden en schoolbesturen betrekken leraren en ouders nog te weinig bij de invoering van Passend onderwijs. Leraren moeten professionaliseren op deskundigheid en differentiatievaardigheden."
Voldoende kwaliteit
De kwaliteit van verreweg de meeste basisscholen (98 procent) is echter voldoende. Het overgrote deel van de scholen krijgt van de inspectie het oordeel 'voldoende' of 'goed' voor de eindopbrengsten. Het aantal (zeer) zwakke scholen is verder gedaald, ook in het speciaal basisonderwijs. Bij het opbrengstgericht werken is echter (nog) geen verbetering zichtbaar en schoolleiders verschillen in de mate waarin ze voldoen aan de beroepsstandaarden.
Evenals in 2011/2012 zijn er in het (voortgezet) speciaal onderwijs meer scholen met basiskwaliteit. De verbetering is het sterkst zichtbaar in cluster 4. Wel zijn de verschillen in ontwikkeltempo tussen scholen vrij groot. Bijna alle leraren in het speciaal onderwijs beheersen pedagogische vaardigheden, maar hebben wel vaak moeite met algemeen didactische en differentiatievaardigheden.
Belangrijk is om oog te houden voor het gegeven dat veel opbrengsten worden uitgedrukt in gemiddelden. Veelal worden deze gemiddelden ook nog onterecht gebruikt om scholen te kwalificeren en te 'ranken' op kwaliteit.
Weinig plezier
Met name leerlingen in het voortgezet onderwijs gaan graag naar school, maar beleven daarentegen weinig plezier aan de lessen. Onduidelijk is waar dat aan ligt. "Goede, uitdagende en kwalitatieve lessen leiden tot hogere betrokkenheid en motivatie tot leren", zegt AVS-voorzitter Van Haren. "De focus van de schoolleider, maar wellicht ook een betere verbinding tussen po en vo, kan scholen hier beter in ondersteunen."
De verbetering in het voortgezet onderwijs gaat langzaam; nog steeds is een op de tien afdelingen zwak of zeer zwak. Het vwo en de gemengde/theoretische leerweg van het vmbo hebben het hoogste percentage zwakke en zeer zwakke afdelingen. In alle schoolsoorten, behalve in de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo, zijn afdelingen met minder dan honderd leerlingen vaker zwak dan grotere afdelingen.
Leraren in het vo weten in de lessen vaak nog onvoldoende te differentiëren naar de leerbehoeften van de leerlingen, vindt de inspectie. "Alle leerlingen in de klas krijgen dezelfde instructie en moeten dezelfde opdrachten maken. De mate waarin de leraren didactisch vaardig zijn, verschilt per school."
Systematisch gebruik van leerlinggegevens voor ondersteuning is ook in het vo niet vanzelfsprekend. Een planmatiger aanpak zou volgens de inspectie tot betere achterstandenbestrijding en effectievere leerlingenzorg leiden.
Trendbreuk
Ondanks de verzwaring van de exameneisen in havo en vwo is het aantal gezakten niet toegenomen. De leerlingen haalden hogere cijfers op het centraal examen dan vorig jaar, toen ook al van een stijging sprake was. Wel stroomden er in 2013 in de onderbouw meer leerlingen af dan op. Een trendbreuk, meent de inspectie, aangezien er jarenlang in de onderbouw vooral opstroom was. Het percentage zittenblijvers is gedaald.
Een deel van de besturen in het vo laat de mogelijkheden om via de schoolleiding de kwaliteit van het onderwijs te beïnvloeden onbenut. "Niet alle besturen geven voldoende feedback aan hun schoolleider(s) en niet alle besturen zijn voldoende geïnformeerd over het reilen en zeilen van hun school of scholen", aldus de inspectie.
Primaire proces
Inspecteur-generaal van het onderwijs Annette Roeters prijst onder andere de spectaculaire verbetering in het speciaal onderwijs. "Daar is de laatste jaren veel vernieuwd, onder meer in het onderwijsaanbod."
Ze ziet in het algemeen in het onderwijs echter weinig terug van de investeringen in het vaker en beter beschikbaar maken van gegevens over de ontwikkeling van leerlingen. "Daardoor vallen eventuele problemen of achterblijvende prestaties sneller op en kunnen scholen voorzieningen voor zorg en ondersteuning eerder inzetten. Toch is in de klas of groep vaak weinig terug te zien van deze investeringen. Investeringen mogen niet blijven steken in de schoolorganisatie, maar moeten doorwerken in het dagelijks handelen in de klas."
Dit geldt ook bij de invoering van Passend onderwijs. In de samenwerkingsverbanden wordt hard gewerkt aan Passend onderwijs. Tegelijkertijd valt het de inspectie op dat samenwerkingsverbanden verschillen in uitgangspunten en visie. Ook verschillen leraren en scholen in de kwaliteit van de zorg en begeleiding die ze leerlingen bieden. Scholen verschillen in hoe open ze staan voor leerlingen die extra zorg nodig hebben.
"Met name op het gebied van Passend onderwijs worden de laatste maanden flinke stappen gemaakt", meent AVS-voorzitter Van Haren. "Zowel ouders als leraren moeten er nog wel beter bij betrokken worden. Het implementeren en borgen van Passend onderwijs vraagt om sterke schoolleiders die systemisch kunnen leidinggeven. Het vertalen van de koers van het samenwerkingsverband naar het primaire proces is complexe materie."
Het lukt besturen wel steeds beter om scholen financieel gezond te houden en middelen goed in te zetten voor het onderwijs. Roeters: "Maar schoolleiders en bestuurders moeten steeds werken aan verbetering en terugval voorkomen; eerst plannen maken, dan het effect evalueren, vervolgens verbeteringen doorvoeren en daarna die verbeteringen verankeren. Op twee derde deel van de scholen en opleidingen zien we dat schoolleiders en bestuurders daar niet volledig in slagen. Het blijkt moeilijk om ervoor te zorgen dat de dagelijkse onderwijspraktijk profiteert van verbeteringen en dat leraren en bestuurders hierin gezamenlijk optrekken."
Een algemene conclusie uit het Onderwijsverslag 2012/2013 is dat vernieuwing en verbetering onvoldoende indaalt bij leraren en daarmee bij leerlingen. De competenties en professionaliteit van bestuurders en schoolleiders die daarvoor nodig zijn, ontbreekt nog in veel gevallen. De AVS is van mening dat de continue persoonlijke en professionele ontwikkeling van leidinggevenden hierbij cruciaal is. Een reden om als vakbond en beroepsorganisatie hiervoor jaarlijks opleidingen aan te bieden die zich hier succesvol op richten. De AVS hoopt dat het Onderwijsverslag onderbouwing en steun geeft aan het ontwikkelen van een meerjarenvisie binnen het primair en voortgezet onderwijs, die gericht is op investeren in professionals en het versterken van leiderschap. Voorzitter Van Haren: "Nederland wil inzetten op kennis. Dat begint in het funderend onderwijs en daar moeten we ons op richten."
https://www.avs.nl/artikelen/onderwijsverslaginspectierolschoolleideressentieel